Reinoud van Vught – Hybriden

Tekst die ik schreef n.a.v. een serie atelierbezoeken en mailwisseling met Reinoud van Vught voor zijn monografie.

Diepere gronden

Reinoud van Vught is een kunstenaar die liever schildert dan dat hij praat. Als hij me vraagt een tekst te schrijven voor een nieuwe publicatie en voorstelt dat in de vorm van een interview te doen, lijkt me dat dus niet zo’n best idee. Ik zie al voor me hoe een dergelijke tekst bestaat uit uitgebreide vragen van mijn kant, met korte ja’s en nee’s van de schilder als antwoord. Het zou geen recht doen aan zijn zoektocht van de afgelopen jaren. Bovendien heb ik al langer het idee dat zijn werk veel inhoudelijker is, dan de vaak formele omschrijvingen die hij of anderen eraan geven, suggereren. Ik zou juist met hem die diepere gronden van zijn werk eens willen verkennen. We houden dus nog open welke vorm de tekst moet krijgen en maken een afspraak.

publicatie (vormgegeven door Reynoud Homan)

Begin mei 2014 ben ik voor het eerst in jaren op zijn atelier in Goirle. Hij werkt sinds kort aan een nieuwe serie werken op papier en denkt na over een publicatie. Er hangt een groot vel, waaraan hij nog werkt, met spelden op de muur geprikt. Op de grond ligt een map vol met kleintjes: witte vellen waarop de grijze verf waterachtig vloeit. En waar met zwarte inkt – is het inkt? – rafelige maar vastberaden lijnen getrokken zijn die doen denken aan wijd vertakte vatenstelsels of aan de wortels van woekerende klimop. Ik verbaas me – zoals steeds – over de huid van zijn werk. Hoe hij zonder sporen van een penseel met blauwe en witte verf bloemen laat ontstaan die kosmisch ogen. De dun gebruikte verf krijgt hier en daar het volume en de zachtheid van opengebarsten katoen kapsels, terwijl het elders waterig en vies van het papier af druipt.

Op het atelier van Reinoud

Over het grote werk twijfelt de kunstenaar. Op een of andere manier lukt het hem niet om in de vellen van zo’n 2,5 bij 3,5 tot 4 meter eenzelfde spanning en diepte te krijgen als in de kleinere, meer directe werken. De bloesems/bloemen zijn er wel, maar ‘zingen’ zich niet los. Ze smelten samen met hun ondergrond, met de ‘volte’ van de schildering. Reinoud denkt erover om met een systeem van kaders te gaan werken.

Als ik de trap af loop, valt mijn oog op een paar vogelnestjes. De honden begroeten me bij het afscheid in de tuin net zo enthousiast als uren eerder toen ik binnenkwam.

We spreken af dat we elkaar mailen. Ik begin op 12 mei: ‘Beste Reinoud, dat was een boeiende en inspirerende ontmoeting vorige week op jouw atelier. Ik was onder de indruk van de enorme stapel kleinere werken die het afgelopen jaar is ontstaan. Ik ben benieuwd wat het experiment met een soort van passe-partout je gaat opleveren. Het deed me denken aan de werkwijze van David Hockney voor zijn expositie A Bigger Picture. Hij deelde die grote doeken ook op in hele series kleintjes. Enerzijds uit praktische overwegingen, omdat je ze dan makkelijker kan vervoeren. Anderzijds levert het hem een enorme focus op wat betreft de details in het werk en krijgt het uiteindelijke grote geheel een soort van multifocaal (dat hoor je natuurlijk enkel over brillen te zeggen) iets. Alsof elke blik die je op een doek van hem werpt, z’n eigen verdwijnpunt heeft. Het inkaderen van delen van je grote tekeningen moet eenzelfde soort effect krijgen volgens mij. Die concentratie op de fragmenten, die voelbaar wordt in het geheel.

Ik kijk uit naar de eerste foto’s. Alhoewel ik nog wel mijn twijfels heb bij je streven naar een werk dat helemaal gevuld is, waarin je je niet laat verleiden tot een spel met lege delen. Zelfs Hercules Segers gebruikte dat contrast tussen vol en leeg. Of bedoelde je dat niet toen je hem noemde tijdens ons gesprek? Hartelijks, Rebecca.’

Hij antwoordt direct diezelfde dag: “Haha Rebecca, hoe ik dat doe? De hand van god 🙂 d.w.z.: ik probeer dingen buiten mezelf te leggen, die met schijnbare toeval en effect ontstaan. Zoals dingen die op creativiteitscentra ontstaan, of – zo stel ik me voor – bij de PABO. Zoals een akoestische gitaar voor de popmuzikant niet voldoende is, die dus elektrisch gaat met fuzz en distortion.

Die passe-partouts, daaraan heb ik natuurlijk heel de tijd dat ik niet aan het werk was lopen en liggen denken. Maar alle voornemens ten spijt … zodra ik begin gaat alles met me aan de haal. Maar ik heb nu wel een andere uitkomst voor die grote. Of het dat moet zijn, óf dat de passe-partouts er toch nog van komen. Het zal blijken. Misschien moet het niet ‘all-over’ zijn, nee. Ik stuur je binnenkort plaatjes.”

En een paar dagen later: ‘Ik stuur je een paar plaatjes van een groot werk dat je in een eerder stadium hebt gezien. Mijn gelijk kan ik nog niet bewijzen.J Het is een voorstadium naar ik hoop. Maar ik kan je wel laten zien dat het losser wordt, gewoon door de verf vloeibaarder te gebruiken: Roosachtigen en insectachtigen nog steeds. Alles gaat weer overhoop.’ Een week later is het eerste werk af: ‘He Rebecca, ik denk dat ie af is. Je zou het natuurlijk in het echt moeten zien, maar het is ruiger geworden en onregelmatiger. Nog wel bloemen, maar duister. Verder ben ik ook weer bezig met veel kleintjes.’

Atelier ( foto Reinoud van Vught)

Ik wijs hem op dat grapje over de hand van God en vraag hem hoe serieus dat nu eigenlijk is: ‘Wat is dat toch met jou en religie? Ooit leerde ik je kennen als de kunstenaar die boven op een zolderkamer van een klooster oude crucifixen in de verf drukte. Alsof je probeerde om dat afgetrapte beeld opnieuw inhoud te geven. Iets wilde laten zien van de sporen die het katholicisme op ons Brabanders heeft achtergelaten. Laatst op je atelier zag ik een menora in een schildering opduiken. Je zegt geïnspireerd te zijn door de beelden van een boeddhistische tempel… en nu spreek je over de hand van God. Hoe belangrijk is religie eigenlijk voor je?’ 

Voor het eerst duurt het dagenlang voordat hij reageert: ‘Het duurde even want over religie doe ik niet zo gauw een uitspraak. ‘De hand van god’ was maar een grapje in aanloop naar het WK. Er zijn van die momenten dat het schilderen vanzelf lijkt te gaan, alsof de hand gestuurd wordt door een hogere macht. Een ander noemt het inspiratie maar ik vraag me af of dat bestaat. Het leven is het wonder. Als dat de hand van god is vind ik het prima, maar in een hiernamaals geloof ik niet. Dat wil zeggen, ik leef natuurlijk voort in mijn kinderen en ik was er al in de genen. Later meer!’
Ik probeer hem uit te dagen: “Dag Reinoud, Je doet niet aan uitspraken over religie, toch kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat je werk over leven en dood gaat; over micro en macro. Ik vond vorige week een mereleitje in de tuin, de schaal gebroken. Het wat gespikkelde groene eitje glansde als marmer. Het was prachtig. Maar ook verschrikkelijk, omdat het zo’n beeld van kwetsbaarheid is: dat kleine eitje in twee delen gebroken tussen de struiken. De glanzende kracht van de vorm tegenover die breekbaarheid. En ik moest gek genoeg direct aan jouw werk denken. Waarschijnlijk zijn de eksters hier schuldig. Maar het heeft ook iets van leven en dood, van maakbaarheid en toeval, ongeluk. Net als jouw werk. En als ik dergelijke grote termen in mijn hoofd heb, komt er toch ook iets van een spiritueel, religieus gevoel. Ik herken me als je bedoelt dat je geen godsdienst aanhangt. Maar ik voel me zelf daarnaast toch een diep gelovig mens. Wellicht vallen me daarom die zaken op als de menora… Dus ik blijf benieuwd naar dat ‘Later meer’”.

De plotselinge openhartigheid van zijn antwoord ontroert me: ‘Mijn werk gaat heel erg over leven en dood, groei met name. Iemand zei eens dat in heel mijn werk Max, onze zoon, is te zien. Misschien is dat wel zo, het houdt me tenslotte dag en nacht bezig: Dat een gendefect zulke verstrekkende gevolgen kan hebben, is waanzinnig.’ We spraken al eerder over zijn zoon Max, die lijdt aan de ziekte van Duchenne, een ernstige erfelijke spierziekte, waardoor hij aan een rolstoel gekluisterd is en steeds minder zelf kan. Reinoud heeft om die reden zijn atelier aan huis. Natuurlijk speelt dat een rol in zijn werk. Uiteindelijk zijn het toch altijd de diep persoonlijke drama’s in onze levens die ons vormen.

Wat volgt zijn mails vol nieuwe werken en verschillende stadia van de grotere. Hij schrijft hoe hij gefascineerd is door Joyce Pensato, de zogenaamde ‘Queen of Mess’, en haar werk. En hoe hij daarnaar kijkt terwijl hij werkt: ‘Ik ben nu aan het proberen mijn honden in de grote werken te krijgen en dan helpt zo’n voorbeeld. Ik stuur je foto’s als ze er goed in staan. Beesten die door de natuur wroeten, modder, takken, bloemen. Voor honden is alles mess. Nu heb ik het nog steeds niet over religie. Misschien is dat toch iets om live te bespreken. Dan komt er meer uit.’

Op 28 mei zijn er weer twee grote werken af: “Een ‘Hercules Segers’ en ‘De Menora’. Verder ben ik begonnen aan een moestuin: Allemaal kleine plantjes in perspectieflijnen. Het gaat nu best hard. Ik merk dat als ik onder de grote werken een ‘grid’ leg, mij dat houvast geeft en de bloempjes in een ritme zet.”

De bezetenheid waarmee hij aan het werk is werkt aanstekelijk. De foto’s van werken die hij me stuurt zijn vol van leven: dynamisch en energiek. Maar in het volle besef van het ‘Verschrikkelijke mooie leven’ waar Roger Raveel het steeds maar over had: die prachtige natuur waarin alles ook dader en slachtoffer is. Het besef van eten en gegeten worden. Dat het leven uitzinnig mooi is, maar dat je dat blijkbaar pas ziet als je ook de diepe dalen onder ogen durft te komen. Ik schrijf hem dat ik moeite heb met het woord ‘defect’ in de omschrijving van Max. Net zomin als de ekster een defect van de natuur is, maar gewoon honger heeft en een merelei breekt, zo is ook hij deel van het leven, deel van onze natuur: ‘Hoe pijnlijk en zwaar dat soms ook voor jullie is, het brengt je ook veel. Er zijn weinig mensen die zo veel levenslust in hun werk tonen als jij. Wellicht is die er juist doordat je zo geconfronteerd wordt met de rafelranden van de natuur. Letterlijk zie ik lust in die laatste serie kleinere werken die je me stuurde. Die waarin je meer kleur gebruikt en die haast erotisch zijn, vlezig en druipend.’

‘Mooi dat je het begrip defect in twijfel trekt, echt zo’n wetenschappelijke en medische term die ik klakkeloos heb overgenomen. De eerste de beste arts die ik spreek en dat woord gebruikt is de klos’, schrijft hij als antwoord. In dezelfde mail beschrijft hij hoe zijn werken op papier in drie stadia ontstaan: ‘Het eerste vind jij het sterkst, het meest puur. Het tweede stadium is risicovoller, meer een gevecht: blijft het beeld overeind of help ik het om zeep? Het laatste stadium is: redden wat er te redden valt. Dat derde stadium is wel het moment waar ontdekkingen op de loer liggen. Het papier raakt verweerd, verf wordt korst. Maar ik werk simultaan zoals je weet, aan meerdere schilderijen tegelijk. Dus alles kan zo opnieuw beginnen op het naakte vel.’
Steeds weer stuurt hij foto’s van de laatste werken. Ik antwoord met vragen: ‘Ik ben benieuwd waarom die honden gevangen zitten?’of: ‘Ik lees trouwens nergens dat je ingaat op mijn suggestie van Eros in je werk, als passend in de eeuwenoude traditie van Eros &Thanatos.’Reinoud antwoordt met beelden en een enkele opmerking als: ‘Weet je waarom honden in de stront rollen? Om de geur van de omgeving aan te nemen en niet opgemerkt te worden. Mooi hè?’

Hij schrijft hoe hij naar het werk van Fernand Léger kijkt, op zoek naar radicaliteit in de compositie. Maar ook dat hij zich – kijkend naar een nest jonge merels in zijn achtertuin – afvraagt hoe zij de wereld ervaren: ‘Ik vraag me af hoe groot de bladeren voor die vogels moeten zijn, levensgroot. Moet je je voorstellen! Na al het detail van de laatste tijd, de minuscule draadjes en het craquelé, schilder ik nu enorme bloemen. Meer dan levensgroot soms. Ik voel me er in opgenomen!’

Tussen alle foto’s van het nieuwste werk is er ineens een schilderij van Piero di Cosimo: ‘Ligt het nou aan mij dat ik niet de mensen, de lichamen zie maar alles er om heen? Heb jij dat ook? Is het zo dat Di Cosimo zich juist uitleefde in alles er omheen? Om alles toevallig te maken, schijnbaar willekeurig voor ons oog? In werkelijkheid staat ieder plantje met een reden op een bepaalde plek, maar voor ons oog moet het willekeurig lijken. Dat is vrijheid voor hem: Abstractie en figuratie tegelijk.’

Natuurlijk ligt dat niet aan hem. Ook ik zie dat de lichamen uit het struweel geknipt of gesneden lijken. Alsof hij eigenlijk geen zin had om die mensen te schilderen en zich te buiten gaat aan de ruimte tussen de figuren. Ik mail hem dat ik bij zijn beschrijving van enorme bloemen moet denken aan Henri (Le Douanier) Rousseau. Hoe die eenvoudige blaadjes uitvergrootte tot gigantische proporties. Als grap borduur ik voort op zijn merelperspectief en maak een panoramafoto met mijn mobiel in de achtertuin: ‘Mij fascineert altijd hoe die vogels in een tel rondom lijken te kijken, hun ogen 180 graden draaiend in de kop. Dat moet de werkelijkheid er een beetje uit laten zien als wanneer je met je mobiel een panoramafoto maakt.’ En ik wijs hem op het werk van Georgia O’Keeffe wiens bananenbloesem mij een slap gevoel in de knieën bezorgt. We mailen elkaar over negentiende eeuwse botanische tekenaars als Pierre-Joseph Redouté en John James Audubon en hij wijst me op de New Yorkse Walton Ford, die volgens Reinoud zo mooi voortborduurt op het werk van Audubon, al zou hij het zelf nooit op die manier willen doen. Een paar dagen later stuurt Reinoud kiekjes van de nieuwste werken op het atelier ‘naar Rousseau’ schrijft hij erbij, met een smile.

De serie groeit gestaag en de zomer breekt aan. Reinoud mailt me over de invloed van Léger, die er nu toch echt in zit volgens hem. Ik lees tijdens zijn vakantie al onze mails nog eens door en mijn oog valt op het zinnetje van eind mei: ‘Het leven is het wonder’. En ik besluit dat ik toch weer een poging ga doen om het met hem over de inhoudelijkheid van het werk te hebben. Reinoud heeft het liever over het proces van het schilderen, waarin hij streeft naar een soort van boeddhistisch ‘niets’. Hij omschrijft het zelf in eerdere interviews alsof hij ‘tussen de dingen’ wil bewegen. En zoekt in het werkproces bewust naar het moment waarop alles dreigt te mislukken. Alsof hij steeds weer een sprong in het duister neemt, het luchtledige opzoekt.

Het lijkt tijd om weer af te spreken op het atelier. Het is inmiddels eind augustus en het is goed om het werk en de kunstenaar ‘live’ te zien. Op het atelier ben ik direct onder de indruk van de hoeveelheid werk die is ontstaan. Blijkbaar heeft hij me maar een klein deel van zijn totale productie op foto toegestuurd. In een paar maanden tijd zijn twee compleet nieuwe series ontstaan: de grote volle schilderingen, met de Put en ‘De Menora’ als hoogtepunten. Ze zijn zo doorwrocht dat het papier aan de randen scheurt. Daarnaast de steeds helderder schilderingen, kalligrafisch eenvoudig, in één keer op maagdelijk wit papier gezet.

Grappig dat ik bij het zien van die laatste serie onmiddellijk zie wat hij met de invloed van Fernand Léger bedoelde in zijn mails. Als kunsthistoricus associeerde ik Léger altijd met de mechanische, machineachtige vormen op zijn schilderijen. Maar als schilder kijkt hij vooral naar de plasticiteit, de vlakverdeling, de afwisseling van helderheid, transparantie en dekkende vlakken. Zoals hij door Max Ernst is gefascineerd vanwege de frottages, de afdrukken, en minder door de surrealistische onderwerpen. Het benadrukt maar weer eens hoezeer hij vanuit de verf denkt en vanuit de manier waarop de verf zich gedraagt. De schilderijen ontstaan als het ware vanzelf, of zoals hij het zelf omschreef: ‘alsof de dingen al in de verf zitten, en ik ze zichtbaar maak.’

Blijkbaar moeten we elkaar zien om eindelijk invulling te krijgen op het ‘Later meer’ uit de mails. We delen de opvatting dat er niet zoiets bestaat als een ‘Hemels Hiernamaals’ of een goddelijke persoon. Maar we zijn er beiden van overtuigd dat er wel ‘iets’ is. Reinoud beschrijft het als iets dat net voorbij de chemische formules ligt, voorbij de wetenschappelijke verklaringen. Iets wat gloort als je je verdiept in de Fibonacci-reeks, een systeem dat je in alle delen van de natuur terug ziet. We praten over onze overtuiging dat alles om ons heen doortrokken is van een onderliggend plan. Hij vertelt me hoe hij het gedrag van de natuur, de wind, het water, de materie op het atelier nabootst om tot een beeld te komen. Het beeld is er nooit vooropgezet, er is geen idee vooraf wat het beeld moet worden. Maar terwijl hij schildert zijn er momenten dat het schilderen als vanzelf gaat: ‘Dan is er het gevoel dat ik onderdeel ben van het systeem. Meer kan ik niet zijn.’

Een paar dagen later schrijf ik hem weer: “’Meer kan ik niet zijn’, zei je dinsdag. Maar realiseer je je wel hoe waardevol en bijzonder dat is? Dat je ervaart dat je volledig deel wordt van het systeem? Het doet mij denken aan een nacht op het strand met zeevonk in de branding. Met een heldere sterrenlucht boven mijn hoofd en die enorme massa water voor me. Met de ioniserende glimlichtjes die dansen rond mijn handen. Dan kan ik me één voelen met de kosmos. Voor mij zijn die momenten zeldzaam en bijzonder. Jij ervaart het als je schildert. Dat is om jaloers van te worden.

Waar de wetenschap vanuit de ratio probeert het ‘iets’ te ontrafelen, en de crux eigenlijk is dat het nooit zal lukken, doe jij – en met jouw gelukkig vele kunstenaars – een vergelijkbare poging vanuit de intuïtie. Je kunt in de buurt komen, soms een glimp opvangen van het oneindige plan achter de dingen, maar er echt grip op krijgen?

Bach kwam in de buurt als je het mij vraagt.

Genoeg voor nu. Of, laat ik je nog melden dat de blauwe hondenkop, en de laatste ‘Léger’- schilderingen voor mij erg in de buurt komen van die glimp!”

Blauwe hond, 2014

Hij antwoordt eerst met Priemgetallen, een gedicht van Lars Gustafsson. De Zweedse dichter beschrijft de eerste priemgetallen als donkere vestigingen in een verder vlak en moerassig landschap: ‘Ze zijn gebouwd van een steensoort / door geen tijd aan te tasten / en alle andere zijn dorpen / hurkend daar omheen.’ Maar de hogere priemgetallen worden zeldzaam: ‘Je moet lang over weidse vlaktes rijden / om er nog een aan de horizon te ontwaren. / De waarheid is dat zij steeds zeldzamer worden/ op hun weg naar de onvoorstelbare diepten.’[i]

En een paar uur later schrijft hij: ‘Ik heb nog wat: een jaar geleden was ik verflagen van mijn schilderijen aan het afschuren met als gevolg fraaie resultaten en dat was voor mij het teken dat alles anders moest. Ik ging tuinieren, rododendrons uitgraven, verslepen en verplanten, rozen snoeien enz. En ik bedacht: als ik dit nu eens ga maken? Niet respectvol naar de natuur als Redouté of Audubon, maar uit mijn hoofd, direct vanuit de verf. Alsof ik de créateur ben van al dat wonder en vroeg me af hoe zou dat er uit zien?’

Ik moet denken aan hoe hij me vertelde hoe belangrijk het is om voortdurend te twijfelen als je vanuit intuïtie werkt. Al is het maar om de ratio uit te schakelen. Ruim een jaar geleden voelde hij de behoeft om zich terug te trekken. Zich te ontrekken aan het spel van de kunstwereld, op zoek naar innerlijke noodzaak, naar: ‘dat het beeld meer wordt dan mooi en iets wat je op kunt hangen.’ Vanuit het spitten in de tuin ontstonden de wortels in de schilderijen. Vanuit de wortels honderden werken op papier met bloemen, planten en insecten. Ze bezingen de schoonheid van de natuur. Maar niet alleen de schoonheid. Een gesprek met Reinoud gaat al snel over het leven en over verval: over vrienden die worstelen met kanker, over zijn zoon wiens spieren langzaam verdwijnen. Het is niet toevallig dat hij in zijn beginperiode – de tijd waarin zijn kinderen geboren werden – crucifixen afdrukte in de verf. Het christelijke kruis werd daarmee tegelijkertijd een variatie op l’Origine du Monde van Gustave Courbet, een ode aan het vrouwelijke geslacht. De dood en het leven in één werk verenigd: Eros en Thanatos, wellust en verval. Het is in zijn werk steeds een rol blijven spelen.

De serie nieuwe werken lijkt klaar. Reinoud keert langzaam terug naar de wereld buiten, maakt afspraken met zijn galeriehouders, vormgever, musea. Hij stuurt me een eerste selectie voor het boek. Eén van de nieuwste, meest doorwrochte werken, Put, is een mooi voorbeeld van hoe alles ontspruit uit en ook weer samenkomt in een eenvoudig putje. En ook de meest heldere schildering van een roosachtige bloem op een verder maagdelijk wit vel krijgt bij hem iets van een rouwrandje. Reinoud ziet het leven in zijn volte, in de totaliteit, met alle pijn, alle verdriet, alle vreugde en alle schoonheid.

Ondertussen broedt hij alweer op een volgende serie. Het idee daarvoor lijkt de uiterste en logische consequentie van alles wat hij tot nu toe maakte. En toch wordt het een volledig andere reeks werken dan we van hem gewend zijn. Deze keer begint hij namelijk wel met een vooropgezet plan. Voor het eerst waagt hij zich aan een beeld van de mens, meer specifiek: dat van zijn zoon Max. Alsof alles waar het altijd al om draaide zich nu samenbalt in diens portret. Met het beeld van zijn zoon dringt Reinoud onvermijdelijk nog dieper door in het wonder van het leven.


[i] Reinoud vond een vertaling door J. Bernlef op internet: http://tijdschriftterras.nl/uitzichtgedichten/

Share on linkedin
LinkedIn
Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter
Share on pocket
Pocket
Share on whatsapp
WhatsApp
Share on email
Email

Index

Ad van BuurenAnish KapoorAnne GeeneAnneke HendrikxAnton BoonAntoon RendersBerlinde de BruyckereBill ViolaBin XuBN\DeStemConstantino CiervoCornelie de JongCuny JanssenCécile VerwaaijenDaniëlle LemaireDavid ClaerboutDe Pont MuseumDick KetDonald Kuspitdré didderiënsEelco BrandErik AndriesseErik HobijnErki de VriesFang LijunFik van GestelFlorette DijkstraFloris KaaykFrancisco de GoyaFrank DemarestFrans BudéFrits de ConinckFundament FoundationGeorge MeertensGerrit DamhuisGijs FrielingGuido GeelenGuido LippensGuillaume BijlGustave KlucisHans BiezenHans den Hartog JagerHans de WitHans Klein HofmeijerHans MaréeHappy Famous ArtistsHarrie de KroonHarrie van BoxtelHarrie VandevlietHein van KemenadeHendrik DriessenHenk DorlandtHenk VischHenric BorstenHenrik SchratInge RiebeekJacobien de RooijJacomijn den EngelsenJan de BieJan SchoonhovenJan van BijlertJan van den DobbelsteenJan van DuijnhovenJan van NuenenJCJ Van der heydenJelle KorevaarJob KoelewijnJohanna SchweizerJohn RiddyJoost ConijnJos BoetzkesJoseph Sassoon SemahJulia BenckertJuliette MinchinJus JuchtmansKarel AppelKees MolKoen BrouckeKoen DelaereKoen VanmechelenKoen VermeuleKris DelacourtKristoffer ZegersLeendert van AccoleyenLeon AdriaansLise SoreLoek GrootjansLorenzo BenedettiLouis van TilborghLucette ter BorgLuc TuymansLustwarandaManita KieftMarc MuldersMargriet KemperMaria BlaisseMaria RoosenMarie-José EijkemansMarien SchoutenMarijn van KreijMarius BoenderMark MandersMark van den EijndenMartin RiebeekMatthijs MarisMeschac GabaMieke Klein HofmeijerMo BechaMonique ToeboschNicolas ProvostNikkie le NobelNour-Eddine JarramOlphaert den OtterPaula BastiaansenPaul den HollanderPauline KoehorstPaul van DongenPeter KantelbergPeter KoolePeter van HekkePhilippe van CauterenPieter Laurens MolPiffin DuvekotRabi KoriaRazorbladeReinoud van VughtRick VercauterenRineke MarsmanRobert ZandvlietRob MoonenRob SmoldersRoderick HietbrinkRoger RaveelRoger WillemsRoland SohierRon DirvenRonny DelrueRosalien SteurRudi FuchsSabine TimmermansSatoru EguchiSef PeetersSigrid CalonStadsgalerij BredaStedelijk Museum BredaStepahnie PelzStijn PeetersTeio MedendorpTeun HocksTheo KuijpersThomas BakkerThomas DahmThomas van der LindenTijs RooijakkersTom ClaassenToon LaurenseVeronika VeitVincent van GoghVincent van GoghHuis ZundertWoody van Amen