In deze categorie vindt u een overzicht van teksten over kunst die geschreven zijn door kunsthistoricus en auteur Rebecca Nelemans. Ze zijn geschreven in opdracht van instellingen, tijdschriften, kunstenaars en vormgevers. Deze teksten verschenen eerder in monografieën, catalogi, of andersoortige publicaties in het kader van een tentoonstelling. Of ze waren bedoeld voor tijdschriften en kranten. In een enkel geval verscheen de tekst enkel op de website van de betreffende kunstenaars.
Al jaren volg ik hoe het werk van Sabina Timmermans zich ontwikkelt van geconstrueerde landschappen in acryl op doek, via installaties en keramiek naar de recentste houtskooltekeningen van brokjes natuur op papier. Vorig jaar schreef ik een tekst over die ontwikkeling voor de monografie Sharing the Land.
Vormgeving Rob van Hoesel, Uitgeverij The Eriskay Connection, Breda 2026. Productie Wilco Art Books.
Al sinds 2014 volg ik hoe het werk van Sabina Timmermans zich ontwikkelt van geconstrueerde landschappen in acryl op doek, via installaties en keramiek naar de recentste houtskooltekeningen van brokjes natuur op papier. Vorig jaar schreef ik een tekst over die ontwikkeling voor de monografie Sharing the Land. Het boek verschijnt maart 2026, met teksten van Sabina zelf en een essay door Norbert Peeters.
Vormgeving Rob van Hoesel, Uitgeverij The Eriskay Connection, Breda 2026. Productie Wilco Art Books. Meer info
monografie over het werk van Sabina Timmermans
Fragment: Ik herinner me een schilderij van een entreeruimte of hal gevuld met diverse palmen die door glazen deuren en ramen uitzicht bood op een enorme plantenkas. In natuurlijke bruin-, groen- en okertinten speelde Sabina met de verf en daarmee met ons gevoel van ruimtelijkheid. Met transparant aangebrachte verf schilderde ze de onderkant van een gereproduceerde deur, maar tegelijkertijd leek die deur in het doek perspectivisch samen te vallen met de glanzende vloer eronder. Verfdruipers over de geschilderde plantenbakken verbonden die vormen met hun omgeving. De kunstenaar benadrukte daarmee de platheid van het doek. Het was alsof alle elementen op het ene moment concreet aanwezig waren om direct daarna op fluïde en abstracte wijze samen te vallen met het geschilderde oppervlak.
De Eindeloze Boom, monografie over beeldend kunstenaar Ron Dirven, The Eriskay Connection, Breda 2025
Een monografie over het werk van Ron Dirven, beeldend kunstenaar en directeur van Van GoghHuis in Zundert. De publicatie toont het werk dat de afgelopen zestien jaar op de vrije maandagen in het atelier tot stand kwam. Het motief, de aanleiding voor deze serie met honderden werken, was de boom.
Ik schreef de tekst. Vormgeving Rob van Hoesel, Uitgeverij The Eriskay Connection, Breda 2025. Drukwerk werd gedaan door NPN Printers.
Bij zijn tentoonstelling in Museum Helmond bracht Bert Loerakker een publicatie uit in eigen beheer. Vormgegeven door Mark van den Eijnden, met inleidingen door Esther Hartzema en de kunstenaar zelf. Ik verzorgde de tekst.
Hieronder een fragment:
… Bij binnenkomst op zijn atelier sta ik direct tegenover zijn collectie Afrikaanse sculpturen, van Yoruba tweelingbeeldjes, Congolese maskers en Nigeriaanse Alusi beelden tot kopjes die aanvankelijk onderdeel waren van een weefgetouw. Beeldend kunstenaar die hij is wijst hij me op de geometrische vormen die symbool staan voor een waterkruik, oorsieraden en de vagina van een vrouwenfiguur: “Net Brancusi, toch?” Tussen de uitgebalanceerde composities van monochromen, geometrische abstracties en brokjes natuur worden de houten sculpturen hier een extra speler. De heldere streep- of blokpatronen roepen de felgekleurde Shuka in herinnering die de Masai in Oost-Afrika dragen, dekens met geometrische patronen met een rituele betekenis…
In ‘Het bestaan en het bestaande’ blikt Henny Schakenraad terug op 40 jaar kunstenaarschap, met een open einde en een belofte naar de toekomst. Teksten van Rick Vercauteren, Gerrit van den Hoven en mij. Eindredactie: Aloys van den Berk. Vormgeving: Theo Barten Hardcover. Mede mogelijk gemaakt door: Het Jaap Hartenfonds, Cultuurfondsen ’s-Hertogenbosch en de provincie Noord-Brabant
Het bestaan en het bestaande, een publicatie van Henny Schakenraad, januari 2024
In ‘Het bestaan en het bestaande’ blikt Henny Schakenraad terug op 40 jaar kunstenaarschap, met een open einde en een belofte naar de toekomst. Teksten van Rick Vercauteren, Gerrit van den Hoven en mij. Eindredactie: Aloys van den Berk. Vormgeving: Theo Barten Hardcover. Mede mogelijk gemaakt door: Het Jaap Hartenfonds, Cultuurfondsen ’s-Hertogenbosch en de provincie Noord-Brabant
Fragment uit mijn tekst: “Op een zwoele dag in juni 2023 bezoek ik Henny weer. Nu in verband met de voorbereidingen van deze publicatie, waarin ze bijna veertig jaar kunstenaarschap wil samenbrengen en documenteren zonder dat het een oeuvre-catalogus wordt. We spreken over de samengestelde beelden die ze sinds de late jaren tachtig met tussenpozen maakt, werken die ontstaan vanuit haar fascinatie voor een voorwerp dat ze vindt. Dat voorwerp – wat een zilveren eetlepel kan zijn uit familiebezit, een aktetas of houten handje van de kringloper – assembleert ze met andere vormen en objecten tot een ruimtelijk object. Met suggestieve titels als ‘draagbaar’ en ‘koestering’ zeggen deze ruimtelijke werken op poëtische en soms vervreemdende wijze iets over het leven in de breedste zin van het woord. Een gesprek over deze werken gaat al snel over de onzekerheden waarmee we als mens allemaal te kampen hebben en het geruststellende van de objecten om ons heen, de dingen die er gewoon zijn.
Volgens Henny is er een relatie tussen de ontdekkingstocht die het leven is en de vastigheid van de voorwerpen: “Tussen het leven en de dingen, het bestaan en het bestaande…”
Fragment: “… Alsof de beeldhouwer tegenover die sierlijk krullende mediterrane traditie iets stekeligs wilde stellen. Waar het bladmotief eeuwenlang als ornament werd toegepast, is het hier zelfstandig en op zichzelf staand geworden. Het duwt zich krachtig en dynamisch uit de grond omhoog. Door het gebruik van aluminium, onderstreept de kunstenaar de ruwe stekeligheid nog eens…“
Mischa Keijser (Rotterdam, 1974) is een Nederlandse kunstenaar die voornamelijk gebruik maakt van fotografie. Hij werd opgeleid aan de Academie voor Kunst en Vormgeving Sint Joost in Breda (1993-1999). Sindsdien werkt hij zowel in opdracht als autonoom.
In zijn autonome werk onderzoekt Keijser voornamelijk de vaak schurende verhouding tussen mens en natuur. Een groot deel van zijn werk bestaat uit landschappen, Hollandse landschappen. Zo nu en dan maakt hij daarnaast beelden van mensen in ongemakkelijke situaties. Regelmatig laat hij zich daarbij inspireren door zijn persoonlijke leven. In al zijn werken is duidelijk te zien dat Keijser als jongeman een jaarlang opgeleid werd tot theatertechnicus bij het Hofplein jeugdtheater in Rotterdam.
Protoporferia: Voor een tentoonstelling bij Museum Belvédère en een begeleidende monografie schreef ik een tekst over een serie nachtlandschappen van Keijser.
openingwoordje uitgesproken op 19 april bij de gelijknamige tentoonstelling van Lise Sore en Piffin Duvekot bij kunstinitiatief Drift in Breda.
Wij – Zijn – Nu – Hier
Vier schijnbaar
eenvoudige woordjes, die elk op zich al een betekenisvraag stellen.
Wie zijn ‘wij’?
Wij: zijn de kunstenaars Lise Sore en Piffin Duvekot,
die in deze presentatie een experiment aangaan.
tentoonstelling in opbouw
Wij: zijn de onderzoekende, weifelende mensen Piffin en Lise die met elkaar een relatie hebben en daarin onderzoeken wat een verbintenis tussen mensen allemaal behelst.
Wij: zijn de kinderen die ze waren en de mensen die
ze door hun jeugd geworden zijn.
Maar geldt
dat niet voor ons allemaal? ‘Wij’ slaat ook op ons, hier nu aanwezig om de
tentoonstelling te zien.
En daarnaast
verwijst ‘Wij’ ook naar de kunstwerken die hier getoond worden.
Over ‘Zijn’ zouden we dagen kunnen filosoferen, maar in deze context wil ik dat kort houden: een eerste vereiste om een tentoonstelling te kunnen maken, is er te zijn. Datzelfde geldt voor het beschouwen van die tentoonstelling. ‘Zijn’ handelt over bestaan en bestaansrecht, van de kunstenaars, de werken en het publiek. Geen van de drie kan ontbreken bij het maken van een tentoonstelling.
Dan komen we
bij ‘Nu’.
Nu: dat is niet altijd zo geweest.
Nu: dat is er morgen, of volgende week niet meer.
‘Nu’
attendeert ons op de tijdelijkheid van de dingen en de mensen. Juist door het
momentane te benadrukken, wijzen de kunstenaars ons met die titel op de uitnodiging
op de eindigheid.
En dan ‘Hier’.
Hier: is een
punt op de kaart
Hier: is een
punt in de tijd
Maar ‘Hier’
drukt ook het ontbreken uit van ‘Daar’. En daarmee is het een woord vol verlangen.
‘Wij zijn nu
hier’, roept associaties op met tags die vooral pubers op muren van monumenten
kalken: IK Was Hier. Maar de vier woorden doen me ook denken aan een veel
oudere titel die in de 17e eeuw en daarna veelvuldig gebruikt is
door kunstenaars: Et in Arcadia Ego (Ook
ik was in het paradijs). De tekst doelt op heimwee naar het geluk dat bij de val
uit het paradijs verloren is gegaan.
Hoog Arcadië
gelegen in het prachtige centrale deel van het Griekse Peloponnesos, werd –
mede door Vergilius’ gedichten – de naam voor het land van schoonheid en geluk;
symbool voor het land van verlangen, het land van de jeugd.
Dat land van
de jeugd is het uitgangspunt geweest voor deze tentoonstelling.
Waar we Lise
Sore en Piffin Duvekot, voornamelijk kennen van hun zelfportretten, hebben ze
nu ingezoomd op de context van dat zelf en zich de vraag gesteld of een portret
van het landschap van hun jeugd ook een zelfportret kan zijn.
Lise werd
geboren in Niger en bracht daar de eerste jaren van haar leven door. Velen
zullen denken: wat weet je daar nu nog van? Maar Afrika, het rode zand, de
hitte, de Afrikaanse manier van spreken, dansen, de omgang tussen mensen
onderling, waarbij “jouw pijn ook mijn pijn is” en “ik mijn vreugde met jou
deel”, die zit onder haar blanke huid. Het is haar Arcadië, haar thuis. Niet
voor niets is emotie een belangrijke rode draad in haar werk. In haar
portretten onderzoekt ze haar eigen emotie en confronteert ons daar mee, soms
ongemakkelijk schurend, vaak kwetsbaar en open. Ze stelt vragen als; Waar ben
ik? Hoe voelt dat? Wat past mij?
Ze maakte
voor deze tentoonstelling voor het eerst tekeningen van de landschappen uit haar
jeugd. Ze ogen als romantische landschappen, heerlijke natuur om in rond te dwalen.
Ze ademen de sfeer van de onbezorgdheid van het kind dat de wijde wereld in wil
en voor wie alles in het leven nog boeiend en nieuw is.
Piffin’s
jeugd was een hele andere. Hij groeide op in Rotterdam, Angoulème, Londen,
Stuttgard, Frankfurt, Gent en Toronto… Iedereen weet hoe ontregelend zo’n
gefragmenteerde jeugd kan zijn voor een jong kind en hoe wezenlijk de vaste
honk, de ankerpunten van een veilige, onveranderlijke haven. Die vond hij in
het huis van zijn opa en oma in Gorssel. Daar speelde hij met de door zijn opa
gemaakte schaakstukken…
We zien in
zijn bijdrage voor deze tentoonstelling een heel ander land van de jeugd: de veiligheid
van het zelf gecreëerde landschap van een hut onder de tafel. Want in alle
verhuizingen, alle nieuwe werelden is de speelplek thuis, onder tafel een vast
gegeven.
En zoals
steeds in zijn beelden, brengt hij hier een samengesteld beeld van spullen bijeengeraapt
in kringloopwinkels. Uit plastic borrelnootbakjes, kinderklei, houten
kandelaars, keramische vaasjes en talloze andere plastic rommel, bouwt Piffin
hier een eigen wereld. Alsof hij een eigen ordening aanbrengt in de chaos die
het leven biedt.
Deze presentatie kunnen wij als bezoekers zien als een zoektocht naar de eerste voedingsbodem voor het werk van deze kunstenaars. Hun identiteiten, en daarmee ook hun werk zijn onlosmakelijk vervlochten met de plaatsen waar ze hun vroegste jaren hebben doorgebracht. De achterhoek in Nederland, de huiskamers over de wereld en de Sahara in Afrika. Het is een zoektocht die in het verlengde ligt van hun zoektocht naar identiteit die toch al een rol speelde in de portretten.
Wij zijn NU
hier: het refereert aan de tijdelijkheid van een status quo… de tijdelijkheid
van ons bestaan.
We zijn niet
langer ‘Daar’, in dat land van verlangen… maar hier in Breda.
De
kunstenaars schetsen hier het paradijs uit hun jeugd, en vertellen daarmee wie
ze waren en zijn geworden.
De titel en
het werk maakt nieuwsgierig naar wat komen gaat. Naar het ‘Daar’ waarheen het
leven en het werk hen zal voeren.
Tekst over Peter Kantelberg ten behoeve van magazine bij zijn tentoonstelling in Stadsgalerij Breda. ism Stedelijk Museum Breda.
Schilderen
wat niet kan…
Mijn eerste
bezoek aan het atelier van Peter Kantelberg (Eindhoven 1947) was op een sombere
januaridag in 2005. Ik herinner me nog goed hoe donker het binnen was. Peter
werkte zonder verlichting, bij het daglicht dat door de ramen van het atelier naar
binnen viel. Ik herinner me hoe ik – toen mijn ogen eenmaal gewend waren aan
het schemerlicht van die namiddag – in de grijze ruimte langzaam de mossige
kleur van de linoleumvloer, het oranjebruin van de oude stoel, de levertint van
een ladekast en het diepe donkergroen, dat achter de afbladderende witte verf
op de muur tevoorschijn kwam, ontwaarde.
Peter Kantelberg, Weelderig blad (detail), 1998-2004
Het zijn die
zachte maar verleidelijke kleuren die nog steeds de hoofdrol spelen in Kantelbergs
werk: zeeblauw, dieppaars, olijfgroen, mosterdgeel, terracotta, bloemblaadjes-roze
die in uitermate dunne en transparante olieverf met bijenwas op doek of papier worden
aangebracht. Tinten die – door de tonale manier van werken– doen denken aan
gekleurd glas waarin het licht een spel speelt. “Kleur is een middel om de uiterlijke waarneming in contact te brengen
met het innerlijk”, lichtte de kunstenaar toe.
Op haast
meditatieve wijze gaat Kantelberg te werk. Een vaas met gedroogde hortensia’s
was aanleiding voor twintig geschilderde schetsen. De vaas stond voor een
donkere spiegel, zodat in het spiegelbeeld alle details al vervaagd werden. Het
ging de schilder namelijk niet om de vaas of de bloemen, maar om het innerlijke
gevoel. De donkere spiegel refereerde tegelijkertijd aan de donkerte in hemzelf.
Ik herinner
me hoe we spraken over de kleine doekjes waaraan hij werkte: de bloemstillevens
en de inkijkjes in de binnentuin van het ateliercomplex vanuit zijn raam op de
eerste verdieping. Kleine brokjes natuur die ergens tussen figuratie en
non-figuratie bleven steken. En die in al hun subtiliteit de herinnering aan de
stillevens van Giorgio Morandi (1890-1964) tot leven brachten.
Stillevens,
landschappen, interieurs, het zijn de eeuwenoude motieven van de schilderkunst.
Dus de vraag lag voor de hand: “Waarom schilder je geen mensfiguur?” De
kunstenaar keek me aan met een glimlach, liep naar een verzameling kleine
doeken die tegen de muur gestapeld stond, allen met de rug naar ons toe, en
keerde er een paar om: zelfportretten, zelfportretten en nog eens
zelfportretten.
Kantelberg
zag ze niet als ‘affe werken’. Hij maakte ze elke ochtend op het moment dat hij
in zijn atelier aankwam en elke avond als hij weer vertrok. Om afstand te nemen
van de waan van de dag, om de wereld buiten het atelier te laten. Hij
beschouwde ze aanvankelijk niet als werken omdat ze onderdeel waren van een
ritueel dat zich dagelijks herhaalde vóór dat hij serieus aan het schilderen
begon. Zoals Leon Adriaans (1944-2004) elke dag op een klein doek een leeg,
maar lichtgevend geel of wit vierkant schilderde, op zoek naar inspiratie.
Jaren later,
ken ik Peter Kantelberg nog steeds en vooral als de schilder van de interieurs,
bloemen, landschappen en natuurlijk die enorme collectie zelfportretten. Maar
de laatste tijd zie ik steeds vaker figuren in zijn werk. Door het oeuvre heen
loopt een rode draad van de haat-liefde verhouding die de kunstenaar met het
menselijk motief lijkt te hebben. Tijdens
zijn werkperiode in de artist-in-residence bij het Van GoghHuis in Zundert in
2016 is het de hervormde begraafplaats achter het atelier die hem inspireert
tot een paar werkjes waarop een vrouwfiguur opduikt. Stilzwijgend zit zij op de
rug gezien – als de vrouwen op de Bewening
van Christus van Giotto di Bondone (1276-1337) in de doopkapel in Padua
–gebogen voor een graf.
Als
voorbereiding op een bezoek aan zijn atelier in januari van dit jaar, verrichte ik wat onderzoek en stuitte op een
oneigenlijk jeugdwerk van Kantelberg in de collectie van het Stedelijk Museum
Breda. Het blijkt een werk uit 1974-75 en toont een ongemakkelijk grijnzende jongen
met een bruine trui, zittend achter een tafel. Op de tafel een wit, bijna
lichtgevend vel papier. Hoewel de manier waarop de jongen geschilderd is doet
denken aan het werk van realisten als Co Westerik (1924) en Herman Berserik (1921-2002),
is de tafel perspectivisch voorover geklapt, zoals de tafels in de stillevens van
Paul Cézanne (1839-1906).
Als ik de
kunstenaar een plaatje van het werk laat zien op mijn smartphone, beschrijft
hij onmiddellijk hoe hij, als net afgestudeerde kunstenaar, les gaf aan een
klas ongeïnteresseerde jongens op een door nonnen geleide school in Etten-Leur,
die niets leken te begrijpen van wat hij hen vertelde. Het onbeschreven/niet
betekende witte vel papier ligt voor de jongen die onmachtig lijkt er iets mee
te beginnen. Het tafelblad vormt een onneembaar obstakel tussen de jongen en de
kijker in. Maar ook tussen de jongen en zijn tekendocent die het werk maakte.
Het lijkt op
het eerste gezicht een behoorlijk realistisch werk met wortels in de
realistische stroming in Nederland op dat moment. Maar met het witte vlak tegen
het beige tafelblad, leunt het ook aan tegen minimalistische ontwikkelingen
internationaal.
Net als de
eerder vernoemde Morandi blijft Kantelberg ongrijpbaar voor elke indeling in
ontwikkelingen of stromingen. Uitermate autonoom en met kennis van de
kunstgeschiedenis, ook die van de eigen tijd, wandelt hij zijn eigen weg. En
die weg beweegt zich tussen verschillende tegenpolen: het tekenachtige
tegenover het geschilderde, het figuratieve tegenover het non-figuratieve, het
herkenbare, concrete tegenover het formele abstracte.
In de jaren
na dit vroege werkje ontwikkelde Kantelberg al snel een eigen stijl. Cruciaal
is een werk uit 1982: Les Jeunes Hommes
tom tom, nu in de collectie van het Centraal Museum in Utrecht. Het bestaat
uit twee helften: rechts een oranjerood monochroom doek met daarin abstracte
tekens, en links een iets lichter oranje doek met daarop een geheel eigen variant
op het beroemde Les demoiselles d’Avignon
van Pablo Picasso (1881-1973) uit 1906-1907. De abstracte tekens rechts blijken
links terug te keren als de contourlijnen van de gedeformeerde vrouwfiguren. De
achtergrond wordt doorbroken door een abstract geschilderde diepte, zonder
enige referentie aan de werkelijkheid. Concreetheid en abstractie, tekening en
schildering, figuratie en non-figuratie lijken gescheiden in twee helften.
Maar
Kantelberg kleurt niet binnen de lijntjes. De schijnbare tegenstellingen gaan
relaties aan, lopen over naar de andere kant. Alles is uiteindelijk in dialoog
in dit werk. “Het is alsof elk detail weet heeft van alle andere”, schreef
Rainer Maria Rilke in 1907 over het portret dat Paul Cézanne maakte van zijn
echtgenote Marie-Hortense Fiquet Cézanne. Het zou zo van toepassing kunnen zijn
op het schilderij van Peter Kantelberg. En niet alleen op dit werk, maar op
zijn hele oeuvre.
Als iets
immers het oeuvre van Kantelberg kenmerkt is het zijn zoeken naar balans, naar
inter-relatie tussen twee schijnbare tegenstellingen. Tot eind jaren ’80, begin
jaren ’90 keek Kantelberg regelmatig naar de kunstgeschiedenis. Maar de
benadering die daaruit volgde vond hij uiteindelijk te formeel. Dat probeerde
hij te doorbreken door associatieve tekeningen te maken. Een serie aquarellen
op papier ( l’éternel féminin, 1988)
oogt als een reeks krabbels op een bureaublad, onbewust neergeschreven. En ook
hier zien we weer het tekenachtige tegenover het geschilderde, het lineaire
tegenover het vlakmatige. Maar het vlak is nu niet langer verdeeld in twee
delen, de tegenstellingen worden in één vel gecombineerd. Dat leidde tot een
aantal schilderijen waarin het dualistische samenvloeit: voluptueus
geschilderde suggesties van een Rubensiaans vrouwenlichaam strijden in deze
doeken met de schematische ‘rune’-tekens erachter.
Tot in 1998
werkte Kantelberg vooral vanuit het hoofd en de fantasie. De abstractie die hij
op die manier bereikte, was vanuit stijlprincipes bedacht. Daar liep hij
tegenaan: “De behoefte aan het onbewuste, zoals je die ook bij de surrealisten
zag, bleek toch heel rationeel.” Daarom begon hij opnieuw te schilderen naar de
waarneming. Wat in zijn geval niet wil zeggen dat hij het realisme omarmde. Hij
omschreef het zelf liever als “stilstaan bij wat je ziet en dat op je in laten
werken”. De oude schilderkunstige motieven als het landschap, het stilleven of
het portret zijn geen doel op zich, maar een aanleiding. Vanuit een observatie
maakt hij contact met zijn eigen sensibiliteit of intuitie: “Nog iedere dag
zijn er aanknopingspunten om de intensiteit op te zoeken”. Om die intensiteit
te bereiken moet hij zich eerst leeg maken: “Soms even het overbewuste in je
hoofd leegschudden om te kunnen werken. Als er te veel ‘wil’ is wordt het
niets. Die wil moet je neutraliseren.”
Teruggrijpend
op dat duale schilderij uit 1982, startte hij in het najaar van 2017 met een
serie doeken met een tweedeling binnen het kader. Binnen dat ene kader zijn er
steeds twee zaken aan de orde: een console naast een vrouwenhoofd, een caféterras
met luifel naast een zwaan in een waterpartij, nog een vrouwenhoofd, nu naast
afgehakte boomstronken. Maar net voordat je van die dubbele beelden een vertelling
zou willen of kunnen maken – een manier van kijken die geen mens vreemd is –
lossen die concrete zaken op. De lijn die het doek in tweeën deelt wordt op een
bepaald moment een stammetje met weerspiegeling in het water, in een ander
doek, smelten twee achtergronden samen rond één tafel. Want het gaat niet om de
juiste vertelling of een verhaal. De schilder zoekt naar het ongrijpbare in de
taal van beeld. Daarvoor moet hij als het ware ‘in gesprek gaan’ met dat beeld:
“Als je wilt schilderen, moet je de tijd nemen om ergens doorheen te
schilderen. Alsof je met je ogen dicht in het diepe springt.”
Peter Kantelberg, Doormidden, 2017
Blijven
werken en accepteren wat er gebeurt, dat is de manier waarop Kantelberg het
moment afdwingt. Het moment dat zijn werk zich precies tussen alles in begeeft:
tussen figuratie en non-figuratie, tussen concreetheid en abstractie, lijn en
vlak, tekens en kleuren.
Juist daarom
heeft hij die haat-liefde verhouding met de mensfiguur. Het is zijn uitdaging
met iets wat niet kan: zijn poging om van een hoofd een ding te maken, van een
mens iets dat zich tussen de dingen kan begeven, kan oplossen in sfeer en
kleur.
Dus
schildert hij enkel een vrouwenhoofd naast afgehakte boomstronken, een man op
de rug gezien…
Voor de publicatie Artefact nr.953 – Gapingen van mijn Geest, over werk van kunstenaar Hans Klein Hofmeijer, schreef ik verschillende teksten. Dit is er één van.
De eerste tekening die een kind maakt is met potlood op papier of een stokje in het zand. Er is geen doel, slechts de beweging van de hand die sporen achterlaat in draaiende of krassende lijnen. Rond het derde jaar wordt de vorm belangrijk. De meeste kinderen slagen er dan in om een cirkel te maken. Als het begin en het einde van de cirkelende beweging elkaar raken, en de cirkel dus sluit, volgt er al snel een stip in het midden: Het kind is zich bewust geworden van het zelf. Het praat over ‘ik’ en ‘mijn’. Alle kinderen volgen deze ontwikkeling, zoals alle kinderen vervolgens ‘haren’, ‘poten’ of ‘harkhanden’ gaan toevoegen. Tenminste, wij volwassenen beschrijven het zo. Voor het kind vallen deze stappen samen met het ontdekken van de omgeving, het ontwikkelen van de zintuigen: het voelen, zien, horen, proeven. Volgens de antroposofie tekent het kind geen haren of harkhanden, maar voelsprieten en sensoren.
Ook Hans Klein Hofmeijer krabbelt op papier. Zonder doel, zonder vooropgezet idee. Net als het kind volgt hij zijn hand. Maar nu zijn het geen grote draaiende bewegingen, maar voorzichtig weifelende, onderzoekende krabbels waarbij het potlood sporen achterlaat op het papier. Er ontstaan tekeningen die associaties oproepen met haren, lichaamsdelen, landschappen. Soms voegt hij schilderingen met aarde toe of inkt: ‘Een gedachtentekening’ nr. 638, ‘Uit het hoorbaar landschap’ nr. 639, ‘Tekenreservoir’ nr. 550, ‘Kom maar (handschap)’ nr. 610, ‘Mijn blauwe gedachtenberg’ nr. 699. De vloeibare kleur zoekt haar weg tussen de potloodkrabbels.
Een enkele keer vormen de krabbels een lijn: een paaltje in het landschap, een jonge boom met een eerste begin van takken (‘Enigmatisch landschap’ nr. 612 , ‘Telegrafische tekening’ nr. 726). ‘Aftastend ik-ding in landschap’ nr. 621 komt het dichts bij de gesloten cirkel van het kind, het begin van de kop-potigen. Ook hier een ik-besef. Als volwassen man, probeert Hans Klein Hofmeijer zich opnieuw te positioneren in het hier en nu: Als telefoonpaaltje in een landschap. Zelf noemt hij deze vormen in zijn tekeningen ‘receptoren’. Maar het gaat in deze werken niet enkel om het ontvangen van prikkels. Zoals een jonge boom de lucht doorklieft met nieuwe takken, tast de kunstenaar de wereld af.
Verschenen in: ‘Artefact’ nr 953 Gapingen van mijn geest, Uitgeverij Lecturis, Eindhoven/Hans Klein Hofmeijer, Oostelbeers 2018. ISBN: 978-94-6226-273-7 NUR 646