Fragment: “… Alsof de beeldhouwer tegenover die sierlijk krullende mediterrane traditie iets stekeligs wilde stellen. Waar het bladmotief eeuwenlang als ornament werd toegepast, is het hier zelfstandig en op zichzelf staand geworden. Het duwt zich krachtig en dynamisch uit de grond omhoog. Door het gebruik van aluminium, onderstreept de kunstenaar de ruwe stekeligheid nog eens…“
Wat is er mooier dan na de pandemie te heropenen met dit lichtwerk van Sef Peeters. Te ontsluiten na een lange en voor velen moeilijke periode, waarin de woorden avondklok, lockdowns, afstand en quarantaine zo vreemd normaal zijn geworden. Elke bezoeker, nieuwkomer of inwoner van de stad wordt door Peeters uitgenodigd na te denken over de openheid, schoonheid en sympathie van de stad, de gemeenschap, elkaar en zichzelf.
Sef Peeters, 2001-
Sef Peeters ( Venlo 1947-Breda 2019) was een kunstenaar voor wie woord en beeld onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn in een dans rondom betekenis (www.sefpeeters.nl). Al vanaf eind jaren tachtig onderzocht hij woorden als ‘ik’, ‘jouw’, ‘huis’, ‘angst’ en ‘echt’. Wat gebeurt er met de intrinsieke waarde van het woord als het van kleur verandert? Wat als de vorm waarin het woord gegoten wordt, verandert van zakelijk en neutraal tot speels draaiend in de wind of fragiel uitgesneden uit papier (zoals een werk in de stadscollectie van Breda)? De kunstenaar zette en zet ons daarmee aan het denken over betekenis van woord en beeld, alsof we het woord voor het eerst – of toch in ieder geval volledig opnieuw – ontdekken.
Sef Peeters, Maquette voor lichtwerk, 2002
Toen hij begin van de 21 eeuw de opdracht kreeg om een beeld te ontwerpen voor de entree van de stad Breda via de Claudius Prinsenlaan, lag het voor de hand om met woorden te werken. ‘Mooi’ was een woord waar hij al lang beeldend over nadacht: de letters ruw geboetseerd en gegoten in brons haast slordig op elkaar gestapeld of juist ijl in dun metaal uitgevoerd en als potentieel gereedschap aan een knaapje aan de muur gehangen. ‘Mooi’ is een woord dat door veelvuldig gebruik in de reclamewereld haast zijn betekenis verloor. Peeters probeerde het opnieuw te laden. En na ‘mooi’ kwam als vanzelf ‘mooier’. Kunstenaar en criticus Florette Dijkstra beschreef het als volgt in Brabant Cultureel: “MOOIER: dat is nog eens wat anders dan het ‘affe’ MOOI. Er zit actie in de overstijgende trap, het woord roept op tot vergelijken en dus tot confict. Het woord vloeit door de geest, kabbelt over de lippen, wordt in de wind gehangen, tolt dagenlang om eigen as.”
‘Mooier’ leek Peeters een gepaste term om mensen mee te geven die de stad binnengaan. Als mentale oproep. Daarbij zocht hij naar andere woorden die als een oproep, inspiratie of een mentale ruimte zouden ‘klinken’. Talloze woorden passeerden de revue en uiteindelijk koos hij voor ‘Liever’ en ‘Opener’. Hij speelde ermee in een herzien stadswapen voor Breda: De imponerende leeuwen die het wapenschild flankeerden werden vervangen door de woorden ‘Opener’ en ‘Mooier’. In plaats van de gesloten vestingstad – die hij liet vervallen – plaatste hij de tekst ‘Liever’ boven de engel die van oudsher over de stad waakt.
Zo kwam hij uiteindelijk tot een lichtinstallatie voor de entree van de binnenstad: in losse speels oplichtende letters op de daken van de panden die de Grote kerk flankeren als je de stad in rijdt: ‘Mooier’ in warm rood, ‘Opener’ in helder wit en ‘Liever’ in zonnig geel.
Inmiddels zijn we jaren verder. Praktische bezwaren en nieuwe ontwikkelingen in het gebied rondom de Claudius Prinsenlaan vormden een kink in de kabel van de plannen van Gemeente Breda met dit beeld van Sef Peeters. Nooit was de kwaliteit van het plan echter reden om het niet te realiseren. In 2019, tijdens de voorbereidingen van zijn solo-tentoonstelling bij Stedelijk Museum Breda, werd Peeters ziek. Een klein half jaar later overleed hij.
Samen met Gerard van den Berg, ruimtelijk vormgever en goede vriend van de kunstenaar, Jos Wilbrink, adviseur kunst in openbare ruimte en Hans Thoolen, stedenbouwkundig adviseur maak ik me hard voor de realisering van Opener-Liever-Mooier.
Zoveel jaren na de eerste schetsen spreekt het ontwerp immers nog steeds tot de verbeelding, nu misschien wel meer dan ooit. Technische ontwikkelingen boden de kunstenaar de laatste jaren andere openingen om het ontwerp te herzien en te realiseren. Opener-Liever-Mooier kan gezien worden als een ‘vervolg’ op het monumentale neonwerk JOUWHUISISMIJNHUIS dat de kunstenaar in 1991 uitvoerde in Utrecht in het kader van de tentoonstelling Nachtregels. Maar dit ontwerp voor Breda is ruimtelijker, uitdagender en ambitieuzer. En het zal een openbare context geven aan de ‘bescheiden’ kunstwerken die Peeters tot nu toe gemaakt heeft.
Artist Impression Opener-Liever-Mooier
Wat is er mooier dan na de Covid-pandemie te heropenen met dit lichtwerk van Sef Peeters? Om met dit werk te ontsluiten na een lange en voor velen moeilijke periode, waarin de woorden avondklok, lockdowns, afstand en quarantaine zo vreemd normaal zijn geworden. Elke bezoeker, nieuwkomer of inwoner van de stad wordt door Peeters uitgenodigd na te denken over de openheid, schoonheid en sympathie van de stad, de gemeenschap, elkaar en zichzelf.
Realisering van OPENERLIEVERMOOIER past in de reeks van taal georiënteerde werken die de stad al telt. En kan vanwege zijn inhoud / oproep / opdracht / het appèl / zelfs een landelijke betekenis krijgen.
Van 10 juli tm 15 augustus was het gebied van De Heilige Driehoek in Oosterhout open voor publiek. Hendrik Driessen en ik hadden ruim twintig kunstenaars uitgenodigd om met hun werk te reageren op de monumentale omgeving. De meeste deelnemende kunstenaars maakten voor een specifieke plek binnen deze tentoonstelling nieuw werk. Passend bij de spirituele, betekenisvolle omgeving en geïnspireerd op het thema: Hoop.
campagnebeeld met werk van Jeppe Hein
In de zomer van 2021 was het gebied van De Heilige Driehoek in Oosterhout open voor publiek. Als curatoren hadden Hendrik Driessen en ik ruim twintig kunstenaars uitgenodigd om met hun werk te reageren op de monumentale omgeving. Een enkele keer kozen we voor een bestaand werk omdat het erg goed aansloot op het thema en een bijzondere verbinding aanging met de locatie. De meeste deelnemende kunstenaars maakten echter nieuw werk voor een specifieke plek binnen deze tentoonstelling. Passend bij de spirituele, betekenisvolle omgeving en geïnspireerd op het thema: Hoop.
Mischa Keijser (Rotterdam, 1974) is een Nederlandse kunstenaar die voornamelijk gebruik maakt van fotografie. Hij werd opgeleid aan de Academie voor Kunst en Vormgeving Sint Joost in Breda (1993-1999). Sindsdien werkt hij zowel in opdracht als autonoom.
In zijn autonome werk onderzoekt Keijser voornamelijk de vaak schurende verhouding tussen mens en natuur. Een groot deel van zijn werk bestaat uit landschappen, Hollandse landschappen. Zo nu en dan maakt hij daarnaast beelden van mensen in ongemakkelijke situaties. Regelmatig laat hij zich daarbij inspireren door zijn persoonlijke leven. In al zijn werken is duidelijk te zien dat Keijser als jongeman een jaarlang opgeleid werd tot theatertechnicus bij het Hofplein jeugdtheater in Rotterdam.
Protoporferia: Voor een tentoonstelling bij Museum Belvédère en een begeleidende monografie schreef ik een tekst over een serie nachtlandschappen van Keijser.
Als gastcurator werkte ik samen met de kunstenaar tot diens overlijden in augustus 2019 aan een tentoonstelling in Stedelijk Museum Breda. i.s.m. AiR Van GoghHuisZundert, Stadsgalerij Breda e.a..
Het oeuvre van Sef Peeters, vanaf de eerste performances en fotowerken tot aan de latere installaties en objecten, draait rond één centrale vraag: zijn bestaansrecht als kunstenaar. Met voor hem cruciale werken als De Poging, Phoenix, ik ben een beeldhouwer, 1,2,3-Dood, The Practice of Living en vele andere werken, vraagt hij zich af wanneer iets een beeld wordt, wanneer iets kunst is, en hoe een beeld zich anders gedraagt dan taal, als het om betekenis gaat?
Op het eerste gezicht oogt zijn werk speels en toegankelijk, maar achter die eerste indruk gaan belangrijke existentiële en filosofische vragen schuil over kunst en het kunstenaarschap: wat maakt iemand tot kunstenaar, wanneer krijgt een beeld betekenis? Wat betekent succes en wanneer ben je als kunstenaar precies succesvol? ‘Het mooie falen, daar ben jij meester in. Het falen sublimeren is jouw specialiteit.’ (Sjarel Ex, directeur Museum Boymans van Beuningen). En hoe verhoudt je werk als kunstenaar zich tot je leven als mens? Steeds is daarbij zijn eigen leven uitgangspunt. Het materiaal is vaak dat wat voor handen is: “Ik heb geen ambacht, geen metier, ik ben conceptueel kunstenaar.”
‘Slagen, falen’,2018 (tekening gemaakt tijdens residentieperiode in AiR in Zundert)
Al vroeg in 1976 werd het belang van zijn werk opgepikt door de initiatiefnemers van De Appel in Amsterdam en niet veel later(1978-79) door Bureau Buitenland, die Peeters uitnodigden voor een rondreizende groepstentoonstelling Personal Worlds, met o.a. werk van Bas Jan Ader, Pieter Laurens Mol en Moniek Toebosch. Daarna volgden talloze tentoonstellingen in binnen- en buitenland.
Sef Peeters geeft in zijn werk geen antwoorden, maar probeert in dialectische werken vooral de beschouwer zelf aan het denken te zetten. Tegenstellingen als naar buiten treden of naar binnen keren, het lichaam en het object, vorm en inhoud, beeld en taal, speelden daarbij een belangrijke rol. Met de nodige dosis humor wees hij de kijker op het feit dat het leven, en dus ook de kunst, nooit eenduidig is, soms zelfs onmogelijk of zich beweegt tussen onverenigbare polen. De titel van de tentoonstelling ‘Sef Peeters – Zwaar als een vogel’, is gebaseerd op één van zijn vroegste installaties Heavy as a bird en verwijst naar die polariteit.
Doordat de vragen die hij zichzelf in zijn werk stelt, uiterst persoonlijke vragen zijn van een kunstenaar, gaat dat werk over het kunstenaarschap, de positie van de kunstenaar, de kracht van een beeld en de verhouding van dat beeld met taal en betekenis. Zaken die ook vandaag uitermate actueel zijn voor met name jonge kunstenaars.
Tot zijn overlijden in augustus j.l. werkte ik samen met de kunstenaar aan een tentoonstelling voor Stedelijk Museum Breda. Deze tentoonstelling was te zien van 15 februari tm 14 juni 2020.
Bij de tentoonstelling werd een filmisch portret getoond van de kunstenaar door Atelier La Machine (Marijke de Bie). En er verscheen een zaalgidsje vormgegeven door Berry van Gerwen.
“Mijn schilderijen zijn geen schilderijen in de strikte zin van het woord, het is geen schilder-schilderkunst, maar een intellectualiseringsproces rond het beeld-als-beeld.” (Luc Tuymans in interview met Danny Illegems)
Tuymans voor ‘Me’, 2011 in Palazzo Grassi, Venetië 2019
Voorafgaand aan de tentoonstellingen die De Pont organiseert, plaats ik de kunstenaar en zijn werk in een breder kunsthistorisch perspectief. Marie-José Eijkemans, hoofd educatie van De Pont, toont de cursisten vervolgens op zaal een preview van de tentoonstelling The return.
De pers noemde Tuymans eerder: ‘Redder van de schilderkunst’, ‘Intelectueel van de hedendaagse kunst’ of ‘Filosoof-gangster van de hedendaagse schilderkunst’, zelf omschreef hij het onlangs liever als: Impressionist van het digitale tijdperk.
“Niemand heeft ooit een schilderij van een gaskamer gemaakt. Ik toevallig wél: ‘Gas Chamber’. Zonder die titel was het misschien alleen maar een schoon schilderijke geweest. Nu zal dat werk problematisch blijven tot de dag dat het verpulverd wordt. Zoiets heeft Morandi niet gedaan.“
We gingen deze avond in op zaken als de relatie van de schilderkunst met de realiteit, met de betekenis van een beeld in een digitaal tijdperk, de kracht van blow-ups en close-ups en conceptueel impresionisme.
Een lezing die ik verzorg in opdracht van Cultureel Café Breda over eigentijdse kunst en de wortels daarvan in de 20e eeuwse kunst.
Cultureel Cafe Breda op dinsdag 21 mei 2019
Interactieve presentatie
van Rebecca Nelemans; kunsthistoricus te Breda
Onderwerp: Eigentijdse
kunst en de wortels hiervan in de 20e eeuw.
Francys Alÿs, The Modern procession, 2002
In 2002 organiseerde de van origine Vlaamse kunstenaar
Francis Alÿs een zogenaamde Moderne Processie. In die processie werden
kunstwerken meegedragen van Giacometti en Picasso. Evenals de performance-
kunstenaar Kiki Smith.
Wat bezielde Alÿs? Of beter nog: wat beoogde hij met deze
happening? Waarom en hoe verhouden kunstenaars zich tot kunst uit het verleden?
In een interactieve lezing van ca. 1,5 uur neemt
kunsthistoricus Rebecca Nelemans u mee op een reis langs hoogtepunten en
mijlpalen van de recente kunstgeschiedenis.
75 jaar beeldende kunst in anderhalf uur belooft geen
volledig verhaal, maar een smaakmakende enprikkelende intro op
alle stromingen waarvan de meeste mensen de namen wel eens gehoord hebben.
kunstgesprek met Jan van Duijnhoven over zijn werk in het kader van de tentoonstelling ‘Celebration of Light’ bij De Pont Museum
Work in progress op atelier van de kunstenaar
Op donderdag 16 mei 2019 ging ik in gesprek met de kunstenaar n.a.v de tentoonstelling Celebration of Light die op dat moment in De Pont museum te zien was.
Aan bod: Van Duijnhovens fascinatie voor het licht en de drie primaire kleuren. Ik sprak met hem over zijn omzwervingen als autodidact langs o.a. de studies filosofie en psychologie en hoe hij uiteindelijk de antwoorden op zijn levensvragen voornamelijk in de kunst vond.
openingwoordje uitgesproken op 19 april bij de gelijknamige tentoonstelling van Lise Sore en Piffin Duvekot bij kunstinitiatief Drift in Breda.
Wij – Zijn – Nu – Hier
Vier schijnbaar
eenvoudige woordjes, die elk op zich al een betekenisvraag stellen.
Wie zijn ‘wij’?
Wij: zijn de kunstenaars Lise Sore en Piffin Duvekot,
die in deze presentatie een experiment aangaan.
tentoonstelling in opbouw
Wij: zijn de onderzoekende, weifelende mensen Piffin en Lise die met elkaar een relatie hebben en daarin onderzoeken wat een verbintenis tussen mensen allemaal behelst.
Wij: zijn de kinderen die ze waren en de mensen die
ze door hun jeugd geworden zijn.
Maar geldt
dat niet voor ons allemaal? ‘Wij’ slaat ook op ons, hier nu aanwezig om de
tentoonstelling te zien.
En daarnaast
verwijst ‘Wij’ ook naar de kunstwerken die hier getoond worden.
Over ‘Zijn’ zouden we dagen kunnen filosoferen, maar in deze context wil ik dat kort houden: een eerste vereiste om een tentoonstelling te kunnen maken, is er te zijn. Datzelfde geldt voor het beschouwen van die tentoonstelling. ‘Zijn’ handelt over bestaan en bestaansrecht, van de kunstenaars, de werken en het publiek. Geen van de drie kan ontbreken bij het maken van een tentoonstelling.
Dan komen we
bij ‘Nu’.
Nu: dat is niet altijd zo geweest.
Nu: dat is er morgen, of volgende week niet meer.
‘Nu’
attendeert ons op de tijdelijkheid van de dingen en de mensen. Juist door het
momentane te benadrukken, wijzen de kunstenaars ons met die titel op de uitnodiging
op de eindigheid.
En dan ‘Hier’.
Hier: is een
punt op de kaart
Hier: is een
punt in de tijd
Maar ‘Hier’
drukt ook het ontbreken uit van ‘Daar’. En daarmee is het een woord vol verlangen.
‘Wij zijn nu
hier’, roept associaties op met tags die vooral pubers op muren van monumenten
kalken: IK Was Hier. Maar de vier woorden doen me ook denken aan een veel
oudere titel die in de 17e eeuw en daarna veelvuldig gebruikt is
door kunstenaars: Et in Arcadia Ego (Ook
ik was in het paradijs). De tekst doelt op heimwee naar het geluk dat bij de val
uit het paradijs verloren is gegaan.
Hoog Arcadië
gelegen in het prachtige centrale deel van het Griekse Peloponnesos, werd –
mede door Vergilius’ gedichten – de naam voor het land van schoonheid en geluk;
symbool voor het land van verlangen, het land van de jeugd.
Dat land van
de jeugd is het uitgangspunt geweest voor deze tentoonstelling.
Waar we Lise
Sore en Piffin Duvekot, voornamelijk kennen van hun zelfportretten, hebben ze
nu ingezoomd op de context van dat zelf en zich de vraag gesteld of een portret
van het landschap van hun jeugd ook een zelfportret kan zijn.
Lise werd
geboren in Niger en bracht daar de eerste jaren van haar leven door. Velen
zullen denken: wat weet je daar nu nog van? Maar Afrika, het rode zand, de
hitte, de Afrikaanse manier van spreken, dansen, de omgang tussen mensen
onderling, waarbij “jouw pijn ook mijn pijn is” en “ik mijn vreugde met jou
deel”, die zit onder haar blanke huid. Het is haar Arcadië, haar thuis. Niet
voor niets is emotie een belangrijke rode draad in haar werk. In haar
portretten onderzoekt ze haar eigen emotie en confronteert ons daar mee, soms
ongemakkelijk schurend, vaak kwetsbaar en open. Ze stelt vragen als; Waar ben
ik? Hoe voelt dat? Wat past mij?
Ze maakte
voor deze tentoonstelling voor het eerst tekeningen van de landschappen uit haar
jeugd. Ze ogen als romantische landschappen, heerlijke natuur om in rond te dwalen.
Ze ademen de sfeer van de onbezorgdheid van het kind dat de wijde wereld in wil
en voor wie alles in het leven nog boeiend en nieuw is.
Piffin’s
jeugd was een hele andere. Hij groeide op in Rotterdam, Angoulème, Londen,
Stuttgard, Frankfurt, Gent en Toronto… Iedereen weet hoe ontregelend zo’n
gefragmenteerde jeugd kan zijn voor een jong kind en hoe wezenlijk de vaste
honk, de ankerpunten van een veilige, onveranderlijke haven. Die vond hij in
het huis van zijn opa en oma in Gorssel. Daar speelde hij met de door zijn opa
gemaakte schaakstukken…
We zien in
zijn bijdrage voor deze tentoonstelling een heel ander land van de jeugd: de veiligheid
van het zelf gecreëerde landschap van een hut onder de tafel. Want in alle
verhuizingen, alle nieuwe werelden is de speelplek thuis, onder tafel een vast
gegeven.
En zoals
steeds in zijn beelden, brengt hij hier een samengesteld beeld van spullen bijeengeraapt
in kringloopwinkels. Uit plastic borrelnootbakjes, kinderklei, houten
kandelaars, keramische vaasjes en talloze andere plastic rommel, bouwt Piffin
hier een eigen wereld. Alsof hij een eigen ordening aanbrengt in de chaos die
het leven biedt.
Deze presentatie kunnen wij als bezoekers zien als een zoektocht naar de eerste voedingsbodem voor het werk van deze kunstenaars. Hun identiteiten, en daarmee ook hun werk zijn onlosmakelijk vervlochten met de plaatsen waar ze hun vroegste jaren hebben doorgebracht. De achterhoek in Nederland, de huiskamers over de wereld en de Sahara in Afrika. Het is een zoektocht die in het verlengde ligt van hun zoektocht naar identiteit die toch al een rol speelde in de portretten.
Wij zijn NU
hier: het refereert aan de tijdelijkheid van een status quo… de tijdelijkheid
van ons bestaan.
We zijn niet
langer ‘Daar’, in dat land van verlangen… maar hier in Breda.
De
kunstenaars schetsen hier het paradijs uit hun jeugd, en vertellen daarmee wie
ze waren en zijn geworden.
De titel en
het werk maakt nieuwsgierig naar wat komen gaat. Naar het ‘Daar’ waarheen het
leven en het werk hen zal voeren.