Kunstwerk van de dag

Een maandlang beschreef ik voor galeries.nl elke dag een kunstwerk van mijn keuze.

April 2008 had ik een maand lang de eer om als ‘gast’ op www.galeries.nl, dertig dagen lang mijn kunstwerk van de dag te beschrijven, een kunstwerk dat op dat moment in een galerie, kunstinitiatief of museum voor publiek te zien was.

https://www.galeries.nl/gast.asp?gastnr=24#gast24

1 april: Guillaume Bijl

Tijdens de Poëziezomer van Watou 2002 bezocht een gezelschap van cultuurminnaars en cultuurmakers het Museum van de Graaf van Watou. Door de traditioneel in bordeauxrood velours gehulde ruimtes van de polyvalente parochie- en theaterzaal, wandelen ze langs vitrines met opgravingen van scherven van het kasteel van de graaf, een gemummificeerd lijkje van de kat van de gravin het wapenschild van Watou en tekeningen en gravures van het kasteel. Geleidelijk worden ze ingewijd in de historie die Guillaume Bijl hier schetst en ze vragen zich verbaasd af of Watou een graafschap was. 

Even verder in het beminnelijke kunst- en poëziefestival geniet dezelfde groep van een goed bewaard filmfragment van de grote James Ensor. Met zijn imposante grijze baard, in pandjesjas en met hoge hoed wandelt hij rustig over het strand van zijn stad Oostende. 

Slechts een enkeling ziet de dames in bikini op de achtergrond… 

2 april: Stijn Peeters

Het gewone alledaagse. De huizen op de achtergrond, doorzonwoningen ergens in Nederland. Op de voorgrond een man, groot en onbeholpen. Maar ook kleurloos en haast transparant. De ekster ligt helder weergegeven maar geknakt in zijn hand. 
Stijn Peeters weet steeds schijnbaar dagdagelijkse taferelen te combineren met de grote meeslepende thema’s van het leven. Hier de dood, in de vorm van een breekbare vogel in de hand van een grote sterke man. Juist door zijn krachtige postuur voel je het onvermogen: de nietigheid van de mens in het gezicht van de dood, de enormiteit van de natuur in dit brave verstedelijkte landschap.
Het slotakkoord van de dood dreunt hier in alle stilte in schreeuwend roze en oranje. 

Dergelijke drama’s komen nooit aangekondigd, of in de vorm van een spektakel. 
Je treft de dood juist op een onverwacht moment, of gewoon op de stoep.

Floris Kaayk

Kort interview voor BNDeStem met Floris Kaayk die in 2006 de St. Joostpenning uitgereikt kreeg.

Wat: Metalon Maligna – an extraordinary disease begint als een documentaire zoals je die op National Geographic elke dag kunt zien. De dramatische muziek onder de beelden van een drukke stad, suggereren al een dreiging. In dit geval gaat het om een nieuw ziekte waarbij de metalen bouten, pinnen en andere attributen die als protheses in het menselijk lichaam zijn aangebracht, gaan muteren. Ze beginnen op een onverwacht moment te groeien en tasten delen van het lichaam aan. In een mooie combinatie van real life video en animatie zien we hoe de tumoren door de huid heen naar buiten steken en delen van het lichaam vernietigen. Het open einde toont een rat in een labaratorium die bewust met het virus is geïnfecteerd. Metalen pinnen steken uit zijn kop.

Wie:  Floris Kaayk geboren in Tiel in 1982, volgde het Grafisch Lyceum in Utrecht. Hij won afgelopen jaar met zijn debuutfilm The Order Electrus de Talent & Pro Award op het Nederlandse Filmfestival en kreeg een onderscheiding op het SICAF in Korea. Daarnaast was deze film op diverse festivals in binnen en buitenland te zien. Gisteren ontving hij de Sint Joostpenning. 

Richting: Animatie

Waarom: “Al op de opleiding in Utrecht had ik bewegend beeld als specialisatie. Ik heb nog wel even getwijfeld tussen de autonome richting en animatie. Maar uiteindelijk ben ik met animatie ook tot een geheel eigen genre gekomen.”

Kunst betekent voor mij: “Schilderijen bekijken in een museum.”

En animatie? “Een verhaal vertellen en vernieuwende dingen maken.”

Mijn scriptie ging over: “Het begrip fake-documentaire. Ik heb mezelf de vraag gesteld: ‘hoe ver je kunt gaan, met mensen voor de gek houden’. In de kunst kun je uiteindelijk veel verder gaan dan in de journalistiek, omdat je mag overdrijvenl”. In beide films zit duidelijk een boodschap: “Ik wil de mensen niet verbeteren, maar ze wel wijzen op wat er aan de hand is, zonder moralistisch te zijn.” 

Ik bewonder: “Chris Cunningham, omdat die met zijn eigen werk is doorgebroken, en voor veel opdrachten gevraagd werd vanwege zijn eigen stijl.”

Mijn inspirator: “De documentaire zelf. En daarnaast verlaten industrieterreinen en muziek.”

Mijn droom voor de toekomst: “Vrije films blijven maken en zo lang mogelijk uitstellen om in het commerciële circuit te gaan werken. En als ik dat al zou doen, dan pas als ze me willen om mijn eigen stijl.”

En wat nu?: “Ik vertrek maandag op vakantie, daarna ga ik films opsturen. En na deze twee films wil ik wel weer eens echte animatie maken. Nu heb ik acht maanden achter de computer gezeten, met de volgende film wil ik weer lekker knutselen. Daarnaast is het tijd om Microbia, het bedrijf dat ik samen met Sil van der Woerd ben gestart, echt op poten zetten.”

Peter Kantelberg

Tekst over Peter Kantelberg voor BN\DeStem n.a.v. zijn tentoonstelling bij Galerie Dom’Arte die tot en met 6 februari 2005 te zien was in Rucphen.

Bij het betreden van het atelier van Peter Kantelberg (Eindhoven, 1947) valt direct op dat hij enkel bij daglicht werkt. Op een sombere januaridag is het er haast donker als je binnenkomt. Maar als je ogen wennen aan dit licht zie je in de grijsheid het heldere groen van de linoleumvloer, de oranjebruine tint van de oude stoel, de leverkleur van een ladekast en het donkere bruin van de radiator. Zelfs de groene kleur die achter de afbladderende witte verf op de muur tevoorschijn komt, zorgt ervoor dat de schilderijen en schetsen van Kantelberg op een heel natuurlijke wijze op hun plaats zijn.

Want het zijn die zachte, vermengde kleuren van oker, roest, terra, mint- of mosgroen, modderbruin of zalmroze waaruit deze Bredase kunstenaar zijn werken opbouwt. Door een combinatie van olieverf en bijenwas maakt hij schilderijen waarvan de huid zo zacht is, dat je die aan moet raken. En niet alleen de huid is verleidelijk, vooral de kleuren, hoe ingetogen ook, zingen de kijker tegemoet. Soms doen ze dat in vettige vlakken van grijs naar feloranje verlopend, dan weer transparant in verschillende kleurlagen over elkaar heen gezet. Daarbinnen vecht de voorstelling met de transparantie. Het platte vlak wint het altijd.

Al tijdens zijn opleiding aan de Academie Sint Joost in Breda wist hij: “Als ik van de academie af kom, dan word ik schilder in een atelier.” Tijdens die academietijd voelde hij nog de behoefte om maatschappelijke betrokkenheid in zijn werk te laten zien. Nu speelt de actualiteit van alledag slechts een rol doordat ze doorwerkt in het zenuwstelsel van de kunstenaar: “De actualiteit in mezelf, die ben ik wel aan het zoeken.” Op haast meditatieve wijze gaat Kantelberg te werk. Een vaas met gedroogde hortensia’s is aanleiding voor een twintigtal geschilderde schetsen. De vaas staat voor een donkere spiegel, zodat in het spiegelbeeld alle details al vervaagd zijn. Het gaat de schilder niet om de vaas of de bloemen, maar om het innerlijke gevoel. “Kleur is een middel om de uiterlijke waarneming in contact te brengen met het innerlijk”, licht de kunstenaar toe. De donkere spiegel biedt meteen een houvast voor de donkerte in hem zelf.

Tot in 1998 schilderde hij vooral vanuit het hoofd en de fantasie. De abstractie die hij op die manier bereikte, was vanuit stijlprincipes bedacht. Daar liep hij tegenaan: “De behoefte aan het onbewuste, zoals je die ook bij de surrealisten zag, bleek toch heel rationeel.” Zes jaar geleden begon hij daarom weer te schilderen naar de waarneming. Wat niet wil zeggen dat hij het realisme omarmde. Liever omschrijft hij het als volgt: “Stilstaan bij wat je ziet en dat op je in laten werken.” Oude schilderkunstige motieven als het landschap, het stilleven of het portret zijn geen doel op zich, maar een aanleiding. Vertrekkend vanuit een observatie maakt hij contact met zijn eigen sensibiliteit of intuïtie: “Nog iedere dag zijn er aanknopingspunten om de intensiteit op te zoeken.” Om die intensiteit te bereiken moet hij zich eerst leeg maken: “Soms even het overbewuste in je hoofd leegschudden om te kunnen werken. Als er teveel ‘wil’ is, wordt het niets. Die wil moet je neutraliseren.”

Peter kantelberg, zelfportret 2011

Om het hoofd leeg te maken schilderde Kantelberg anderhalf jaar lang zijn eigen zelfportret in tweeluikjes. Op elk doek een portret aan het begin en één aan het eind van een werkdag. Het eigen gezicht als aanleiding tot introspectie. Wat zo ontstond is een indrukwekkende serie waarin je veel kunt zien van de psyche van de kunstenaar. Maar zoals in al het andere werk herken je toch vooral het zo eigen handschrift van de schilder. Wat hij nastreeft in zijn werk, is een gevoels-dialoog. En zoals hij zelf terecht opmerkt: “Dat kun je niet uitleggen!”

Waves

tekst voor BN\DeStem over kunstenfestival Waves, georganiseerd door stichting Idee-Fixe in Breda, 2003

Krassende kraaien en Beiers gejodel

Het geluid van krassende kraaien vanuit een bestelbusje bij het station zal de opening van ‘Waves’ vrijdag aanstaande overstemmen. H. van Boxtel, filosoof van het Papagaaienmuseum, declameert zijn openingsrede vanuit diezelfde bus. En alsof dat niet genoeg herrie geeft, speelt in de laadruimte achter gesloten deuren een bandje met in ieder geval een joelende gitaar en beukende drums. Het publiek is gewaarschuwd: De tentoonstelling ‘Waves’ van Stichting Idee-fixe gaat vooral over geluid.

De Kroatische kunstenaar ‘Razorblade’ zal over het stationsplein een explosieve gitaarsolo laten klinken, en de Beierse Stephanie Pelz onderzoekt het verschil tussen goede en slechte muziek, door die tijdens een performance te mixen: Serge Gainsbourg wordt gecombineerd met een gezongen dadaïstisch rijmpje waarop Pelz als kind met mes en vork leerde eten. En Chinese Popsongs mixed ze met een hedendaagse variant van life uitgevoerd gejodel. De climax van de opening zou verzorgd worden door Erik Hobijn met zijn zogenaamde ‘Dante Orgel’, een spektakel waarbij enorme orgelpijpen met vuur bespeeld worden. Paul Hagenaars en Dorien Eggink van stichting Idee-fixe zoeken samen met de brandweer echter nog steeds naar een geschikte ruimte.

Na de opening kan het publiek vier weken lang de kunst op straat tegenkomen. In de vaste etalage in het stationsgebouw zal een animatiefilm getoond worden van Jan van Nuenen, een jong talent uit Breda. Op twee monitoren toont hij ons de tuin van Eden, compleet met bomen, appels, slangen en borsten, maar ook met ongedierte dat op fruit afkomt. Alles verwordt tot een wirwar van vormen. Deze hedendaagse zondeval houdt ons een spiegel voor over de plaats die natuur inneemt in de door ons gecultiveerde en op macht beluste wereld.

In de Willemstraat wordt een huis door middel van projectie van beeldruis in de sneeuw gezet (Thomas Bakker). Op een gevel zien we een roeier (film van Hans Maree) met het ritme van een ademhaling steeds maar niet vooruitkomen. Terwijl we door de ruiten van een ander pand als een voyeur in het binnenste van een buik kijken (Pauline Koehorst),  of een wolkachtige vorm zien die een zwavelgele gloed verspreid (Henric Borsten). Al die ervaringen worden begeleid door het geluid van slapende mensen in een werk van Sthephanie Pelz.

De tentoonstelling Waves wordt vooral een ervaringstentoonstelling. Het publiek, bewust of onbewust, wordt deelgenoot of hoofdrolspeler. In de etalage van het voormalige Hendrikspand bijvoorbeeld gebeurt niets als je als kijker niet bereid bent actief op onderzoek uit te gaan. Pas dan ontvouwt zich een hedendaagse variant van het Panorama Mesdag door twee Vlaamse kunstenaars: Erki de Vries en Anton Boon. Al weken bouwen zij de etalage vol met kasten en kijkdozen waarin door middel van projectie en reflectie een ruimtebeleving ontstaat .

Ook in het werk ‘Gust’ van Roderick Hietbrink uit Rotterdam speelt de bezoeker een rol. De titel betekent letterlijk windvlaag, en dat is de ervaring die je krijgt als je het steegje naast de VVV inloopt. Geïnspireerd door filmmakers in de traditie van Hitchcock, maar meer nog door hedendaagse kunstenaars als Doug Aitken, gaat het Hietbrink vooral om een sfeer van suspense en spanning die de steeg uit zichzelf al heeft. Door met elektronische muziek die dreiging nog meer op te bouwen, waant het publiek zich in een film.

Van Station tot Stadhuis zal de kunst strijden om de aandacht van reizigers, wandelaars, fietsers, toeristen, of winkelend publiek. Vanuit neskastjes in de bomen in het Valkenberg krijgen achteloze passanten ongevraagd advies. De zes vogelhuisjes, aangebracht door Rosalien Steur uit Delft, proberen met hun ‘ja’ of ‘nee’ op de mening, of liever op de twijfel, van de toehoorders in te spelen. De Bredanaar Thomas Bakker bouwt een podium in de Sophiastraat. Publiek wordt, zoals steeds in zijn werk, uitgenodigd deel te nemen. Maar zo snel een voorbijganger het podium wil betreden zal hij of zij juist via de achteruitgang verdwijnen.

Een film van de Duitse Veronika Veit en Julia Benckert gaat over relaties tussen mens en object. De Belgische kunstenaar Mo Becha verandert dagelijks nog van idee, terwijl Ad van Buuren met de toetsen van een Pianola een neuraal netwerk bespeeld.  Kristoffer Zegers, de Bredase maakt een installatie met beeld en geluid waarmee hij kritiek geeft op het cultuur- en monumentenbeleid van de stad.

Maar de meeste aandacht zal de ‘Hyundai met kraaiengeluid’ trekken. Sinds de Bredase kunstenaar Loek Grootjans stopte met zijn monochrome schilderijen en een stichting met de ongelooflijke naam  “The Foundation for the benefit of the aspiration and the understanding of context (formerly known as the institute for immediate knowledge, real perception and logic features for the most contemporary monochrome paintings)” oprichtte, lijkt het zijn streven om op allerlei manieren de kloof tussen de hedendaagse kunst en het publiek te dichten. Voor het kunstproject ‘Waves’ maakt hij niet langer gebruik van marketingtechnieken om het publiek te verleiden. Hier wordt eerder de theorie van ‘afstoten is aantrekken’ toegepast. Met een wagen die het geluid van kraaien uitschalt zal hij vooral mensen irriteren. Maar ook irritatie wekt belangstelling.

De tentoonstelling ‘Waves’ is te zien van 28 maart tot en met 25 april. De catalogus verschijnt op 17 april tijdens een speciale avond met als titel ‘De kerk als Klankkast’, uiteraard in de Grote Kerk. Danielle Lemaire en Jan van den Dobbelsteen gaan tijdens deze avond een orgeldialoog aan, verder worden er performances verzorgd door componist Kristoffer Zegers, Multi-instrumentalist Peter Verwimp en stemkunstenaar Douglas Park. De avond wordt georganiseerd door de Belgische Kris Delacourt, die samen met zijn Noorse collega kunstenaar/muzikant op zondag 13 april in Museum De Beyerd een Soundscape zal realiseren.

De erotiek van het lijden

recensie voor BNDeStem van tentoonstelling Jacomijn Den Engelsen.

In haar meest recente werk is grafisch kunstenaar Jacomijn den Engelsen duidelijk geïnspireerd door virtuoze meesters als Giovanni Bellini, Andrea Boticelli, Caravaggio en Michelangelo. En daar windt ze geen doekjes om. Ook al voorziet ze de serie werken niet echt van een titel, tussen haakjes verwijst ze: ‘naar Pietá van G. Bellini’, ‘naar Bewening van Botticelli’, of kortweg ‘Pietá’.
Den Engelsen, z.t. (comfort), 2002

Het lijden van Christus, maar nog meer het verdriet rondom zijn dood, is eeuwenlang inspiratiebron geweest voor vele kunstenaars. Den Engelsen verklaart haar fascinatie voor deze thematiek kortweg met de woorden: “Alleen vrolijkheid vind ik niet interessant.” Het liefst werkt ze met menselijke emoties, en dan vooral de dubbelzinnige. In tijdschriften, kranten, en kunstboeken zoekt ze naar die momenten waarin een geheim schuil gaat, naar emoties die nooit eenduidig opgevat kunnen worden.

Zo was een oude journalistieke foto van Franse boertjes die door de Gestapo tegen een muur worden gezet om te wachten op verhoor, de aanleiding voor de houtsnede met de titel Muur. De mannen in dit werk houden het midden tussen jongetjes die voor straf in de hoek staan, en mannen die vastlopen in hun eigen onvermogen. Beide aspecten zijn duidelijk aanwezig, zonder dat een van de twee het wint. En het kleine kopje met de titel Judith, is voor de liefhebbers direct herkenbaar als de vrouw op een doek van Caravaggio, die net bezig is om Holofernes te onthoofden. Zowel het afgrijzen, als de moed die nodig is voor een dergelijke daad, zijn op haar gezicht af te lezen. De gemengde gevoelens van Judith zijn door Den Engelsen als fragment uit het oorspronkelijke doek gelicht, zonder dat ze aan kracht inboeten. Integendeel, juist door te focussen op haar gezicht, worden we ons als kijker nog meer bewust van die dubbelzinnigheid. De mengeling van kracht, afschuw en verdriet wordt universeel.

Waar in het vroegere werk duidelijk sprake was van een opgelegd raster, krijg je in de ‘Renaissanceserie’ het gevoel dat de prachtige structuur die ontstaat bij het uitgutsen van de houtblok volledig opgaat in de voorstelling. Het afwisselen van de richting van het gutsen gaat zelfs een spel aan met de houtnerf van de plaat. Hierdoor ontstaat een subtiele gelaagdheid waarin je voorstelling en achtergrond niet meer duidelijk van elkaar kunt scheiden, en er alle ruimte overblijft voor de fantasie van de kijker. Door deze werkwijze, en de keuze voor een klein fragment uit het oorspronkelijke werk, laat ze veel over aan de verbeelding van de kijker. 

Zo gaat het ook met de werken met als thema de bewening van Christus. In het fragment dat ze aan Botticelli ontleent zien we Maria Magdalena die haar droeve gelaat laat rusten op de voeten van de dode Christus terwijl ze die omarmt. Door het inzoomen op dit detail komt er veel meer nadruk te liggen op de tederheid van dit gebaar. Zozeer, dat het werk een erotische lading krijgt. “Ik ben steeds op zoek naar de overeenkomst tussen een orgasme en een dood of bedroefd gezicht”, licht de kunstenaar toe. En daarvoor vindt ze voldoende voorbeelden in de kunstgeschiedenis. Zoals de Pietá van Bellini  bijvoorbeeld, waarin de omhelzing van de dode Christus door zijn moeder ook door zou kunnen gaan voor een passionele kus. Verrassend is het werk met als ondertitel Troost. De koppen in deze houtsnede lijken perfect te passen in de serie van door Renaissancemeesters geïnspireerd werk. Uitgangspunt is hier echter niet het werk van een 15e eeuwse virtuoos, maar een krantenfoto waarop een winnende voetballer zijn verliezende tegenspeler troost. Den Engelsen bewijst met dit werk dat ook in ‘real life’ de gezichten van vreugde en verdriet dicht bij een sensuele extase komen.

Site by Thomas Dahm